Roos van de woestijn

 

Gedicht naar aanleiding van Hooglied 8:6.

 

 

Haar naam was de Liefde

Zij was het, die golfde

door de stille beenderen van het land.

Zij was het, die de zaden vertelde

om hoog te groeien

Zij was het, die de appelboom

deed bloeien in de woestijn.

Zij was het, die liep

in het kleed van de zomerwind

kind van de morgen, kus van de nacht,

onder de Zon en de Maan.

Zij was het, voor wie

de sterren zongen

Zij was het, die maakte,

dat het land zich de geur herinnerde

van het oeroude begin.

Zij was het, die de rozen

op deed bloeien

in de zachte welving van haar voetafdruk.

Zij was het, die tot de Hemel sprak

die haar lach liet parelen

als een geschenk aan Hem

die daarboven was.

Zij was het, die onder haar kleed

het goud bewaarde

de zegels, zo hartstochtelijk gegeven

de Liefde, die alleen

aan de Liefde gegeven worden kon.

Zij was het, de Liefde

Zoetste adem,

Prachtige roos van de woestijn.