Reis door de nacht

 

That’s why we’re drinking

In a bar under the sea

- dEUS, uit de songtekst “Disappointed In The Sun” (1996)

 

Die eeuwige bron ligt diep verborgen en toch weet ik waar zij wordt gevonden, al is het nacht.

- Jan van het Kruis, Spaanse mysticus (1542-1591)

 

 

Zal ik je vanavond mee uit nemen? Ik ken een fantastische bar waarvan ik zeker weet dat je die nog niet kent. Hij bestaat namelijk in mijn hoofd. Maar ik zweer je: het zal voelen of je er echt geweest bent. Je vingers zullen het weten, en je huid zal het weten, en je hart ook, misschien.

Ben je er klaar voor? Ben je klaar om jezelf te verliezen in het verhaal van een ander, om op te geven wat je weet en kent? Als je dat niet kunt, dan zou ik zeggen: juist jij, ja jij, moet verder lezen. Het leven kan zo zinrijk zijn, bij momenten, maar soms ook weer niet. Wat kan je dan in vervoering brengen en weer terugvoeren naar waar het ook alweer stroomt? Als je dit vaag voorkomt, dan zou ik je willen vragen: wanneer voelde jij je voor het laatst levend; zo levend dat je dacht dat het leven zelf uit je vingertoppen stroomde?

Ik weet dat namelijk nog heel goed. En omdat ik het weet, moet jij het ook ergens weten. Het onderbewuste, of het leven zelf misschien, is als een zee, waar jij en ik niet meer bestaan.

 

Een flits, een herinnering die het nu openscheurt. De muziek beukt en de massa deint, opgaand in een universum vol rook en licht. Mijn lief is een donkere schim, dan weer hier, dan weer daar. Ik zie hem in elk gezicht, want in de rook kan elk gezicht dat van hem zijn. Ik spring vol extase, mijn gezicht begraven in de stroboscoop als ware het hemellicht. Een zware stem zet in: With the fire from the fireworks up above me… En ik sterf – alweer.

 

Ja, we moeten wel een beetje sterven, weet je. Jezelf uit handen geven, want daar, precies daar, gebeurt het. Voel je mijn hand? Hij is wat eeltig. Dat komt van het vele basgitaar spelen. Kom, ik neem je nog wat verder mee. Die bar, waar ik je over vertelde, daar kom je niet zomaar. Er is een weg die loopt tussen hier en daar. Ken je die scene uit Lost Highway, waar een auto over een donkere weg rijdt? Het enige dat oplicht in de koplampen zijn de gele strepen midden op de weg. Weer één. Weer één. Nog weer één. Als de secondestrepen van een klok, of als een morseboodschap die je niet verstaat. Voor en achter je is het nacht, en in de nacht kan zowel niets als alles zijn. Wat zal het zijn, déze nacht? Wie zullen er zijn, in de bar? Welke muziek zal er worden gedraaid? En: zal mijn lief er zijn?

 

Laten we in de auto stappen. Ik heb hem niet opgeruimd, sinds de laatste rit. Ik hoop dat je dat niet erg vindt. Die bierviltjes daar, met die gekke hanenpoten erop; ja, die zijn van de vorige reis door de nacht, of misschien wel van de nacht daarvoor. Ik weet het niet meer precies. Er is iets geks aan de hand met de tijd. Ik denk wel eens dat er geen tijd is, in die bar. O, natuurlijk wil je weten hoe de bar heet. Het gekke is: dat zou ik je niet kunnen vertellen. Soms heet hij Melancholia, soms The Pitt, en ik heb zelfs een keer in neon letters de naam The Titty Twister zien staan. Vergeet het, want de naam is irrelevant. Bedenk liever welke kleren je draagt, hier naast mij in de auto, terwijl de gele strepen in het donker langs flitsen. Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik kies mijn kleren altijd heel zorgvuldig uit als ik uitga. Ik trek mijn stemming van de dag zogezegd aan, want als ik ergens een hekel aan heb is het wel om me voor te doen als iemand die ik niet ben. Vandaag heb ik een spijkerbroek aan, met daarop mijn meest afgedragen t-shirt: die grijze met die rasta basketballer erop. Mijn zwarte cowboylaarzen zitten als gegoten. Ik heb er zin in.

 

Voel je het, dat gekke gevoel in je buik? Naarmate de bar dichterbij komt, neemt de zenuwachtige spanning toe. De nacht brengt altijd wat nieuws, wat onverwachts, en ik geloof niet dat wij veel te zeggen hebben over wat het zal zijn. De nacht is als een zwangere vrouw: zij baart, wat op dat moment is. Het is als met de Spiegel van Galadriël, in Lord of the Rings. Als Frodo aan de elfenkoningin vraagt wat hij zal zien in de spiegel, antwoordt zij: Even the wisest cannot tell. Zo is het ook met de nacht. Vergeet je naam, vergeet je dromen en je verlangens, en zie, proef, ervaar. Je neus weet hoe de nacht geurt. Je huid herinnert zich hoe zij als een schaduw langs je heen kan strijken, als een stille kus. En je hart weet hoe zij spreekt.

 

We zijn er. Kijk, alle bekenden staan al buiten voor de bar te wachten. Gisèle is er, met haar steile zwarte haar, dat als een gordijn voor haar gezicht hangt. Ik weet nog steeds niet wat de kleur van haar ogen is. Martijn is er ook. Aan zijn kleurige pak kan ik precies zien wat zijn stemming vanavond is. Kijk, dat is Lévi. Ik zal je aan hem voorstellen; de meest schuchtere en aardige jongen die er bestaat. Hij is verliefd op Kiki, het barmeisje, en ik geloof dat zij dat eigenlijk wel weet. Mart is er, en Tom, op zijn motor. En daar is Hans, de uitsmijter. De wachter op de drempel. Hans en ik kunnen het goed met elkaar vinden, geloof ik. Hij zegt nooit zoveel, maar kijkt des te meer. De truc is om hem met naakte ogen aan te kijken. Je bent geen ster, je bent niet cool, je bent geen loser, je bent zelfs niet iemand die graag naar binnen wil. Je bent, en je ogen weten precies wat dat betekent.

Zie je, Hans laat ons door. Je hebt goed gekeken.

 

Binnen in de bar is het warm. Er hangt een bedwelmende geur, die bestaat uit een mix  van sigarettenrook, de geur van verschraald bier dat al decennialang in het hout getrokken is, de geur van zweet en parfum, en de eigenaardige lucht uit de rookmachine. Ik geloof dat ik zelfs de muffe geur van de pooltafel in de hoek kan ruiken. Het is gezellig druk binnen en één voor één komen al mijn vrienden binnen. Het is fijn om te voelen hoe we steeds dichter op elkaar worden gedrukt, naarmate het drukker wordt. Persoonlijke ruimtes worden noodzakelijkerwijs kleiner en uiteindelijk helemaal naar binnen gehaald, als er geen andere keus is dan huid op huid met elkaar samen te zijn. Ik voel jou tegen mijn huid. Je voelt koel, weet je dat?

Misschien moet ik je wat verder meenemen naar achteren, waar de dansvloer is. Natuurlijk is er rook en licht. Minou draait vanavond. Houd je maar vast, want dat is een ruige dame. Ze leest de energie op de dansvloer en zoekt daar de muziek bij die precies past. Ach, die dansvloer. Hoe vaak heb ik daar niet als een uitzinnige staan dansen. Hoe vaak heb ik niet gedagdroomd dat er gaatjes in het plafond zouden zitten, zodat ik daar doorheen kon kijken en ongegeneerd mijn lief kon bestuderen. Als hij maar lang genoeg danste, kon ik zijn tepels door zijn bezwete witte t-shirt heen zien. Ik weet niet of hij er vanavond is, maar jij bent er wel. Hoor, dat is een fantastisch nummer. We moeten dansen, echt. Ik neem je gewoon mee aan mijn zweterige hand en plant je in de rook in de deinende menigte. Het is een zee hier, met overal armen en benen en bewegende lijven. We worden onder nog meer rook bedekt terwijl de muziek luider en luider klinkt. Ja, ik weet het: onze zintuigen worden zo overvoerd met licht, geur en geluid dat we alle houvast lijken te verliezen. Dat geeft niet. Ik ben bij je. We hebben geen huid meer, geloof ik. We zijn alleen nog maar muziek, rook, beweging, nabijheid. We worden het licht van de stroboscoop en de hand van Minou, die de volgende plaat alweer klaarzet. We worden de dansvloer, die bedekt is met drank, plastic bekers en hier en daar een verloren oorbel of muntstuk. We worden de nacht, die zichzelf heeft samengebald in één klomp zinderende energie.

 

De stroboscoop flitst en het licht gaat door mijn vingertoppen heen naar buiten. Ik weet zeker dat ik kan toveren. Met mijn handen raak ik jouw gezicht aan. Hoe glad is het en hoe schoon. Je ogen zijn naakt. Waarom kon je me niet vertellen dat jij aldoor mijn lief was? Minou heeft het begrepen en heeft een rustiger nummer opgezet. De mensen verdwijnen van de dansvloer, zodat jij en ik alleen overblijven in de resterende rook; twee schaduwen in het niets. Onze handen vinden elkaar. Ze zijn allebei met het eelt van de dag bedekt. De nacht heeft de liefde gebaard.

 

De strepen op de weg flitsen langs. Weer één. Weer één. Nog weer één. Het is donker, voor en achter ons. Waar gaan we heen en waar komen we vandaan? Weet je het weer?

 


 

Dit korte verhaal is gepubliceerd:

 

Stoof, A. (2016). Reis door de nacht. In Nijgh & Van Ditmar, NRC.next & Lowlands (red.), De Grote Lowlands Schrijfwedstrijd 2016: De beste twintig inzendingen

https://issuu.com/singeluitgeverijen/docs/lowlands_e_book_2016/64