Oración de quietud

 

In juli 2015 was ik deelnemer aan een studieweek mystiek van het Titus Brandsma Instituut, een wetenschappelijk instituut voor de bestudering van spiritualiteit. In die week bestudeerden we teksten van de middeleeuwse mystica en kerklerares Teresa van Avila.

De studieweek inspireerde me zo dat ik me geroepen voelde om een gedicht te schrijven aan alle aanwezigen. Het gedicht is, ter afsluiting van de mystieke week, voorgedragen door Prof. Dr. Hein Blommestijn.

 

 

Oración de quietud (Het stille gebed)

 

Een zaal vol mensen,

Vol eigen vragen: wie te zijn, wat te doen?

Hoe zie ik aan over vernedering?

Hoe kan ik horen in gebed?

Hoe kan ik zijn in relatie?

Uw vraag is de mijne -

Ik herken de gebrokenheid,

De mens die, niet thuis zijnde,

Vraagt -

Het eenzame gebed.

 

En toch -

Daar is dan ook

Het stille gebed

Dat wat bidt in mij.

Hoe klonk dat in Teresa,

Hoe klinkt dat in u,

In mij?

 

Ik herinner mij die dag,

Hij duurde jaren -

Het leek zo onontkoombaar

Dat ik de rest van mijn leven

In duisternis en depressie

Zou zijn.

 

Vanuit elke hoek

In mijn myriadische geest

Klonk een wild gebed

Van duizend stemmen

De een nog luider en vertwijfelder

Dan de andere:

Ik wist immers

Hoe mijn leven moest zijn?

 

Duisternis zwol aan

Een huizenhoge angst om te sterven

Weg te geraken,

Uit mijn geest

En dan niemand meer

Te kunnen zijn.

Duisternis zwol aan

Totdat duisternis alles was

Wat er was.

 

Toen, in mijn wilde gebed -

Een moment van stilte:

Mocht het zo zijn

Dat het mijn lot is in duisternis te verkeren -

Ben ik dan bij machte

Om dat lot te keren?

 

En ik wendde mij toe

Naar mijn duisternis, allerdiepste doodsangst

Viel in de put,

De dood in mijn leven

Die klaarblijkelijk mijn leven

moest zijn.

 

Diep viel ik,

Naar binnen toe

Door de barrière

Van mijn angst,

De door mij gedachte dood.

Vele handen

Droegen mij naar omlaag

De diepste diepte in.

Tot het niet langer donkerder werd

Maar licht.

 

Een stem klonk,

Die geen stem was:

 

Dochter, hier ben ik

En ik heb jou altijd

Zo liefgehad.

Nooit ben jij hier

Niet geweest

Nooit heb ik jou

Niet gekoesterd

Nooit heb ik jou niet

In mijn armen gehad.

 

En ik huilde, hete tranen

Omdat ik niet wist,

Nooit geweten had

Hoe het was om niet thuis te zijn.

Ik was thuis, welkom geheten

Terugontvangen in mijn eigenste huis.

 

Daar te zijn -

Diepste liefde,

Het stilste gebed.

Een fluistering,

Vlinders gedragen

Door de zachtste wind.

Te voelen hoe

Het vlees van mijn vingertoppen

Bidt

En hoe de zee en de eeuwige sterren

Bidden

Hoe elke relatie

Tot een gebed, tot schoonheid

Wordt

Hoe alles tot

Gebed vergaat.

 

Maar ook: opgeroepen, aangezet

Om naar buiten te gaan

Nimmer was mijn thuis

Bedoeld om bestemming te zijn

Bestemming was

Om breekbaar te zijn als geschapen mens

Doorheen de breuken

Valt het licht dat schijnt.

Zo gebroken, de menselijke stem.

Zo gebroken, die stem van mij.

En toch: daar in overgave

Beschikbaar te zijn

Voor die oproep:

Spreek met mijn stem.

 

Om dan anderen

Te mogen ontmoeten

Sprekend, stamelend,

Vragend, soms schijnend

Vol van het schoonste licht.

DAAR vind ik moed.

Uw vragen, menselijke kwetsbaarheid

En onvergelijkbare schoonheid

Daarin is het

Dat ik mijn stem vind,

Woorden vind

Voor dat wat in mij fluistert.

 

God zij met u.