Maan, ik kom eraan!

 

In Maan, ik kom eraan! bewaart de Walvis de herinneringen van de aarde, sluit de Boom vriendschap met zijn Angst en schudt de Storm zichzelf eens goed uit. Er is een eiland waar alle dieren aanspoelen die vreemd of anders zijn, en er is een Vulkaan waarin dieren hun oude spullen kunnen gooien. Sommige dieren gaan op reis, terwijl andere dieren blijven waar ze zijn en gezelschap krijgen van onverwachte vrienden. 

Maan, ik kom eraan! is een boek dat herkenning oproept over alle mooie en moeilijke dingen die we in het leven tegenkomen. De verhalen zijn van een verrassende eenvoud, waardoor de symboliek aan kracht wint en de lezer aan het denken wordt gezet. Het is een boek om in een knus hoekje (voor) te lezen, met warme sokken aan en een kopje thee in de buurt. Maar vooral is het een boek om bij te glimlachen.

 

Stoof, A. (2007). Maan, Ik kom eraan! Arnhem: Kimi’mila.

ISBN: 978 90 79004 01 0

172 pagina's, hardcover editie. 

Prijs: E 25,= incl. verzendkosten.

 

Boek bestellen? Stuur dan een bericht via het contactformulier.

 

 


 

Fragment uit "Maan, ik kom eraan":

 

De Eend woonde bij de vijver, die aan de rand van het bos lag. Hij had heimwee naar de Maan, ook al was hij er nog nooit geweest. Er waren dagen dat hij niet kon eten en slapen, omdat hij alleen maar aan de Maan kon denken.

 

Er ging een lange tijd voorbij. Dag na dag stond de Eend aan de rand van de vijver, en keek vol verlangen naar de Maan. 

Toen kwam de dag dat de Eend besloot om naar de Maan te vliegen. En hij begon te oefenen. De eerste paar dagen vloog hij kleine cirkels boven de vijver. De dieren uit het bos waren sprakeloos van verbazing. Zij hadden de Eend immers nog nooit iets anders zien doen dan verlangend naar de Maan kijken. En alle dieren lieten hun bezigheden voor wat ze waren om te gaan kijken naar de Eend die zomaar was gaan vliegen.

Een paar dagen later vloog de Eend cirkels boven het hele bos. “Het gaat goed,” zei hij tegen zichzelf. En hij besloot dat hij klaar was om naar de Maan te vliegen.

Die avond keek hij naar de Maan en zei: “Maan, ik kom eraan!” En hij voelde dat het goed was. Voor de laatste keer keek hij naar de zachte spiegeling van de Maan in het water van de vijver. Voor de laatste keer keek hij naar de geheimen die in het licht van de Maan schuchter uit hun hoekjes kwamen. En voor de laatste keer verlangde hij naar de Maan.

 

Toen steeg de Eend op. Hoger en hoger vloog hij, en de Maan kwam steeds dichterbij. “Het gaat goed,” zei hij tegen zichzelf. Maar toen werd de Eend moe. “Het gaat niet goed,” zei hij tegen zichzelf.

Even later was de Eend zo moe dat hij zijn vleugels niet meer op en neer kon slaan. Wanhopig keek hij naar de Maan. Hij was al zo dichtbij, maar dichterbij kon hij niet komen. “Ik kan het niet, Maan,” zei de Eend met tranen in zijn ogen. En hij liet zich vallen.

Tot zijn verrassing landde hij op iets zachts. Het was de Adelaar, die vanaf een bergtop had gezien hoe de Eend naar de Maan vloog. Hij had zijn kop geschud en gedacht: “Dat gaat niet goed.” En hij was naar de Eend gevlogen om hem te helpen.

“Ik kom je helpen, Eend,” zei de Adelaar.

De Eend kreeg tranen in zijn ogen van geluk. “Dankjewel, Adelaar! Dankjewel hoor!” zei hij.

Met de Eend op zijn rug vloog de Adelaar hoger en hoger. Langzaam kwam de Maan dichterbij.

“Ik kom naar je toe hoor, Maan!” riep de Eend. Hij kon de vijver al lang niet meer zien, en zelfs het bos was nog maar een klein groen vlekje onder hem.

De Adelaar was nog nooit in zijn leven zo hoog geweest. Met iedere meter dat hij hoger kwam, groeide zijn trots. En hij bedacht alvast hoe hij aan de Zwaan zou vertellen hoe hij naar de Maan gevlogen was. Hij zou het op een heel bescheiden manier vertellen, maar de glans zou van zijn veren stralen en de Zwaan zou vast en zeker diep onder de indruk zijn.

Toen klonk er een stem, die nergens vandaan kwam.

“De Maan is veel te ver weg,” zei de stem. “Je haalt het toch niet.”

Ineens kon de Adelaar niet meer vliegen. Het lukte niet meer. Hortend en stotend ging het, alsof de vleugels van de Adelaar niet meer bij hem hoorden. Vol schaamte spreidde de Adelaar zijn vleugels wijd uit en zweefde in grote cirkels naar beneden. “Het spijt me, beste Eend,” zei hij. “Ik kan het niet.”

De Eend slikte een paar keer heel hard. “Het geeft niet,” zei hij.

Maar het gaf wel. De droom van de Eend was niet uitgekomen en zou ook nooit uitkomen. Want zelfs de Adelaar kon niet bij de Maan komen.

 

Vanaf die dag zat de Eend met een gebogen hoofd bij de vijver. Van zijn verlangen naar de Maan was niets meer over dan een groot, grijs en treurig gevoel. Als het licht van de Maan in de vijver scheen, deed de Eend zijn ogen dicht. Als de geheimen schuchter tevoorschijn kwamen, deed de Eend zijn oren dicht.

Alle dieren deden hun best om de Eend op te vrolijken. De Spin zong een liedje dat ze speciaal voor hem gemaakt had, en het Roodborstje gaf een groen met blauw cadeau. Ze zei dat het een ploet was, maar ze wist niet precies waar het voor diende.

“Dankjewel,” zei de Eend, maar daarna zat hij weer met een gebogen hoofd bij de vijver, met de ploet naast zich. De Eend was het treurigste dier van het bos geworden.

 

De Maan had alles gezien. Ze vroeg zich af hoe ze ervoor kon zorgen dat de Eend hoog genoeg kon komen, want ook zij wilde Eend graag ontmoeten. De Maan dacht diep na. Ze dacht aan een ladder, een touw, en zelfs aan een springplank. Maar telkens schudde ze haar hoofd en zei: “Nee, nee, nee.”

En net op het moment dat ze er niet meer aan dacht, wist ze het. Ze blies haar adem uit en zakte omlaag naar de aarde. Langzaam zweefde ze naar beneden, totdat ze vlak bij de vijver in het bos was. Daar zat de Eend.

“Dag Eend,” zei de Maan.

De Eend tilde zijn kop op, en toen verdween de vijver, het bos en alle dieren die daar woonden. Voor de Eend was er alleen nog maar de Maan.

Na een tijdje kon de Eend eindelijk wat zeggen. “Dag Maan,” zei hij zacht.

Verlegen glimlachte de Maan.

Lange tijd keken ze elkaar aan. De Eend zag dat de Maan werkelijk het mooiste van alles was. En de Maan dacht: “Vanaf nu zal ik stralen als nooit tevoren, omdat ik weet dat er een Eend is die naar mij kijkt. Vanaf nu zal ik niet meer alleen zijn, daarboven.”

Toen klom de Maan weer langzaam naar boven, naar de plek waar ze thuishoorde. De Eend keek haar na, met opgeheven hoofd.