Laat het nieuw zijn

 

‘Maak het nieuw!’ Geen enkele andere periode in mijn leven was zo doordrenkt van deze oproep als het afgelopen jaar. Vrijwel niets was er overgebleven van het leven zoals ik dat kende, een leven waarin ik een bepaald, welomschreven iemand kon zijn. Een jaar lang werd mijn innerlijk geregeerd door een niet mis te verstane oproep om mijn leven in orde te maken, om verandering aan te brengen, zodat ik weer zou weten wie en waar ik was. Eenvoudig was dat niet. Want om verandering aan te kunnen brengen, moest ik toestaan dat ikzelf iemand anders werd. Vernieuwing was niet iets dat ikzelf tot stand kon brengen, maar iets dat zichzelf bleek te realiseren juist daar waar ik mezelf toestond om onthand te zijn.

 

Ik denk wel eens: God houdt van gebrokenheid. God zorgt er zelf ook op gezette tijden voor dat het leven doorbroken of onderbroken wordt. Ja, ik geloof dat ik zou kunnen zeggen: God is misschien die performatieve dimensie van het leven waarin alles dat vertrouwd en bekend is doorbroken wordt. Het leven is niet wat wij ervan wensen, maar het leven is.

Zo ging dat ook bij mij. Ik werd verliefd. Het leven sprak zich volkomen onverwacht in mij uit, in een overweldigende liefde voor een man die niet mijn partner was. En daarmee voelde ik me bevraagd op mijn zijn, op mijn vermogen tot liefhebben, op het samenzijn in een affectieve relatie. Het leven zoals ik dat jarenlang gekend had, in de vorm van een vertrouwde en gekoesterde relatie, werd op efficiënte wijze onderbroken.

Eigenlijk was ik het dus die onderbroken werd. Ik had geen zeggenschap over de liefde die in me opwelde, ik had geen zeggenschap over de gevoelens van een ander mens, ik had slechts zeggenschap over hoe ik zou handelen. Juist in dat handelen lag het probleem. Juist daar voelde ik die bijna wanhopige oproep ‘maak het in orde!’ En juist daar voelde ik dat ik niets in handen had waarmee ik mijn leven in orde zou kunnen maken, omdat het zich in de kern aan mijn beheersing onttrok.

 

Een woestijnervaring

In die tijd had ik het geluk om regelmatig van gedachten te kunnen wisselen met een bevriende kloosterzuster. Vanuit haar eigen Karmelitaanse spiritualiteit herkende ze feilloos de leegte waarin ik me bevond; de symbolische woestijn, waar een mens niet kan handelen, maar slechts vertrouwen kan hebben. Om in de woestijn te verblijven, om de leegte van het onderbroken leven werkelijk aan te gaan, dat is een bewuste keuze.

Ook ik koos er bewust voor om in de woestijn te verblijven. Eigenlijk was dit een daad van vertrouwen. Ik bevond me in een zeer pijnlijke, verdrietige en ontwrichtende situatie, die ik het liefste van alles ‘in orde’ zou willen maken. Maar in plaats daarvan verbond ik me met wat ik als mijn bestaansgrond ervaar: een innerlijk weten waarin in mijn beleving het leven op een waarachtige wijze tot mij spreekt. Houd van hem, zo hoorde ik. Dit was wat me te doen stond: om een man, die niet de mijne was en dat ook nooit worden zou, desalniettemin lief te hebben, in het vertrouwen dat het uiteindelijk allemaal goed zou komen, ook al zag ik niet hoe.

 

En zo zwierf ik voor mijn gevoel een eeuwigheid door de woestijn. Het is slechts een schrale troost om te weten dat ook anderen daar hebben gedwaald, zoals mijn bevriende kloosterzuster. In essentie betekent een woestijnervaring: alleen zijn, met niets en niemand anders dan jezelf. Het is werkelijk een beproeving. Ik schreef ook veel in die tijd, in een poging om al mijn indringende ervaringen een stem te kunnen geven. Uiteindelijk bleken  woorden ontoereikend, en ging ik over tot het schrijven van ‘klankgedichten’ waarmee ik probeerde aan de diepte van mijn ervaringen te raken. Zo schreef ik het volgende gedicht:

 

Ag habadi um betroya

Mi firan um betreit

Im Sirya elendi firima

Mi carima, firi urumheit.

 

(Over een harde aarde moet ik gaan

Met slechts zachte voeten om te betreden

In de hemel schijnen eeuwige sterren

Ik vraag mijn hart om net zo stralend te zijn.)

 

Innerlijke vernieuwing

Terwijl ik innerlijk door de woestijn dwaalde, kwamen er uiterlijk wel degelijk veranderingen tot stand. Ik scheidde en ik verhuisde. Maar de werkelijke uitdaging bleef onverminderd: houd van hem. Hier had ik geen zeggenschap over, hier kon ik slechts met lege handen staan. Ik had, in de woorden van Meister Eckhart, een houding van ‘Gelassenheit’ aangenomen: een houding waarbij ik me actief toekeerde naar alles wat zich voordeed in de liefde die ik voelde, zonder er iets aan te willen veranderen, en zonder een ander doel na te streven dan die toekering zelf. Met deze houding van Gelassenheit, wat ik zou willen vertalen met een daar-laten of onaangeroerd-laten, gaf ik de liefde als het ware aan haarzelf terug. Ze hoefde niet te veranderen of nieuw te worden; ze hoefde niets anders te zijn dan zichzelf. Ze mocht iets zijn voorbij mijn beelden, mijn verlangens en mijn hoop.

Ze wás ook iets voorbij mijn beelden, verlangens en hoop. Sterker nog, in het actief toekeren naar de liefde werden al mijn beelden, verlangens en hoop systematisch beproefd en stierven veelal een pijnlijke dood. Vaak voelde ik me als een ui die laag voor laag werd afgepeld, alsof ik stukje bij beetje ontmaskerd werd in alles wat ik ooit geconstrueerd had aan overlevingsmechanismen en manieren van zijn.

 

Tegelijkertijd werd ik ten diepste geraakt door het ‘nieuwe’ dat in al het afpellen en ontmaskeren zichtbaar werd. Ikzelf werd zichtbaar, in mijn vermogen om lief te hebben waarvan ik niet wist dat ik dat had. Een liefhebben dat uiteindelijk niet om een exclusieve relatie met een ander mens bleek te gaan, maar om een staat van zijn, een liefhebben van alle dingen.

Diep ontroerd was ik, dat ik blijkbaar zo’n mens kon zijn, zo’n mens was. En wat me nog dieper ontroerde was het besef dat ik over deze nieuwe, bijna lichtende manier van zijn, evenmin zeggenschap had. Het was ook niet iets dat ik moest leren of ontwikkelen, maar iets dat er altijd al was geweest en nu tot onthulling was gekomen. Eerder in dit essay schreef ik: “Het leven is niet wat wij ervan wensen, maar het leven is.” Tijdens mijn verblijf in de symbolische woestijn leerde ik dat dit evengoed geldt voor mijzelf. Ten diepste ben ik niet degene die ik wens te zijn, maar die ik ben.

 

Uiterlijke vernieuwing

Dit inzicht in mijn eigen ‘ik ben’ bracht ook in uiterlijke zin allerlei veranderingen met zich mee. Ik herinner me een boswandeling, die ik ergens dit voorjaar maakte. Ik huilde aan één stuk door, omdat ik in elke boom, struik en grasspriet hetzelfde zag als ik in mijzelf had leren zien. Hetzelfde wat mij gegeven was in een lichtend ‘ik ben’, volstrekt buiten mijn verdienste om, kon ik ook herkennen in de wereld om mij heen. Ik huilde vanwege de heiligheid in de schepping die ik zo plotseling ontwaarde, en ik huilde omdat ik vanuit dit nieuwe inzicht heel anders aankeek tegen de wijze waarop wij mensen omgaan met de natuur.

Ik huilde ook met Pasen. Ik was die dagen in het klooster van mijn bevriende kloosterzuster om de vieringen bij te wonen, ook al wist ik niet zo goed waarom. Ik voel me geen christen, maar vind in een klooster wel iets dat me zo vertrouwd is als mijzelf. De christelijke symboliek en dogmatiek zoals die bijvoorbeeld in de psalmen is weergegeven, kon ik niet in mezelf herkennen maar aanvaardde ze desondanks als iets dat met een kloosterbeleving meekwam. Tijdens de paasvieringen kwam ik echter tot de ontdekking dat ik de christelijke symboliek plotseling kon verstaan, in het licht van mijn eigen ervaring. De overgave van de stervende Christus aan het kruis, in het ultieme gebed van de kenosis of leegwording, kon ik begrijpen vanuit mijn eigen ‘kleine’ overgave. Het leerde me ook iets over de mogelijke betekenis van Christus, als een ultieme belichaming van de bestemming van de mens in het lichtende en wezenseigen ‘ik ben’. En ik huilde, opnieuw en alweer, omdat er in Christus voor mij een ultieme trouw zichtbaar werd in de weg van de mens naar zichzelf.

 

En hoe liep het af met het initiële en onmogelijk lijkende houd van hem?

Voor verliefdheid en liefde kwam uiteindelijk dankbaarheid in de plaats. Dankbaarheid omdat deze prachtige mens mij het grootste geschenk gaf dat hij me geven kon: mijzelf. In wezen betekent dat dat ik hem nog steeds liefheb, maar het is een liefhebben dat net zo goed mijzelf als de wereld om mij heen betreft. Ik kan het lang niet altijd zo voelen – ik ben ook maar een mens – maar ik weet nu voor mezelf waar liefhebben ten diepste over gaat: dat ik de liefde moet laten gaan. De liefde is het grootste geschenk van het leven, maar kan alleen in vrijheid bestaan. Ik kan haar niet aanraken zonder dat zij verdwijnt; ik moet met lege handen staan. Is het misschien daarom dat de verrezen Christus sprak: ‘Raak mij niet aan’, in de zin van ‘houd mij niet vast’?

 

Laat het nieuw zijn

Wat begon met een doorbroken leven, mij wanhopig oproepend om alles weer in orde te maken, eindigde met het inzicht en het vertrouwen dat het leven vanuit zichzelf vernieuwend is. Om tot werkelijke vernieuwing te komen, hoeven we misschien slechts terug te treden. De slogan is daarom niet: maak het nieuw, maar laat het nieuw zijn.

 


 

Dit essay is gepubliceerd:

 

Stoof, A. (2013). Niet: Maak het nieuw, maar: Laat het nieuw zijn. Volzin, 6, 30-33.