De ontembare vrouw

Lieve Etty,

 

In september schreef ik je dat de man met de hamer gekomen was. De weg van herstel is lang en moeizaam, vind ik. Maar ik geloof dat ik iets op het spoor begin te komen. Jij hebt er ook al eens over geschreven, als ‘dat onverwoestbare in mij’. Ik begin dat nu in mijzelf te herkennen, en kom daarbij tot een fascinerend inzicht: dat onverwoestbare in mij is in mijn beleving niet iets universeels, maar iets dat specifiek bij de vrouw hoort.

    

Ik kwam ‘dat onverwoestbare in mij’ tegen toen ik de afgelopen week naar een film keek: ‘Et maintenant on va où?’ Het is een film over een klein dorp, ergens in het Midden Oosten. Het is omringd door resten prikkeldraad, vergeten landmijnen, en kent een groot kerkhof: een kerkhof met alle mannen, zoons en broers die gestorven zijn in een eindeloze strijd tussen christenen en moslims. In de film proberen de vrouwen van het dorp op allerlei komische en ontroerende manieren ervoor te zorgen dat het geweld tussen de mannen niet opnieuw oplaait.

Eén van de tactieken die de vrouwen uit hun trukendoos halen is om, temidden van het alweer oplaaiende geweld, een vijftal Oost-Europese vrouwen het dorp binnen te loodsen. Tegen betaling doen deze ranke en schaars geklede blondines alsof ze per ongeluk met hun bus gestrand zijn bij het dorp. Zodoende zit er dus niets anders op dan dat de dorpelingen zich over hen moeten ontfermen. De hete hoofden van de mannen bekoelen acuut: niet de twist staat centraal, maar de verschijning van dit intrigerende, bijna onaardse vijftal.

Nu denk ik dat ik op verschillende manieren ‘dat onverwoestbare in mij’ in deze film zou kunnen herkennen. Maar ik herken het vooral in de uiterlijke verschijningsvorm van de vijf Oost-Europese vrouwen. Met hun bikini’s, parasolletjes, kleurige sjaaltjes en enorme zonnebrillen vormen ze een onuitsprekelijk contrast met de tamelijk traditionele dorpelingen. Niet in het minst gehinderd door de sociale onrust paraderen ze door het dorp, zorgen ze voor een zwembad (door de mannen van water voorzien) en betreden ze het café waar alleen mannen zitten (en smokkelen zo en passant opnameapparatuur binnen, zodat de vrouwen erachter kunnen komen waar de mannen de wapens verstopt hebben).

     

Scène uit Et maintenant on va où?
Scène uit Et maintenant on va où?

 

Deze manier van doen herken ik als specifiek vrouwelijk. Het maakt dat er iets in mij opveert: ja, zo kunnen wij vrouwen dingen aanpakken. En dan niet bij wijze van een strategie, maar op een manier die mij kracht, energie en levensvreugde geeft. Het is alsof ik plotseling een bodem in mij gewaar word, of een kern, die – inderdaad zoals jij schrijft, Etty – onverwoestbaar is.

Het deed mij denken aan een boek dat al lang in mijn boekenkast staat: ‘De ontembare vrouw’ van de Jungiaanse psychoanalytica Clarissa Pinkola Estés. Die onverwoestbaarheid, daar schrijft ook zij over, en inderdaad als iets dat specifiek vrouwelijk is. De ontembare vrouw is het archetypische vrouwelijke, de vrouwelijke ziel, de wilde vrouw, de ongedomesticeerde vrouw, de vrouw wiens staart onder haar rokken vandaan piept. In talloze en tijdloze verhalen wordt zij beschreven, als de vrouw die aan het einde der tijden leeft, of de vrouw die aan de rand van de wereld leeft. Ze is de rivier onder de rivier, het licht uit de afgrond, of zij die uit het woud komt. Ze is de wolfsvrouw, de beendervrouw, de kracht van Leven/Dood/Leven, degene die tekeer gaat na onrechtvaardigheid. Ze is degene die kan spoorzoeken, rennen, ontbieden, camoufleren, van zich afbijten en innig liefhebben.

In een prachtige passage schrijft Estés: “We zijn niet geschapen om miezerig te zijn, met dun haar, om niet in staat te zijn op te springen, te achtervolgen, te baren, een leven te creëren.” Dát is de ontembare vrouw. Het idee alleen al dat zij in mij leeft, maakt al dat ik opveer, levenslust voel en onverwoestbare veerkracht in mijzelf bemerk. Je als ontembare vrouw in deze samenleving voortbewegen wordt dan een levenskrachtige zoektocht. Het wordt een fascinerend spel, waarin je de bestaande orde op een vruchtbare manier kunt verstoren, zoals de vijf Oost-Europese vrouwen in de film.

 

Het maakt ook dat ik op een andere manier ga waarnemen: hoe verschijnt de ontembare vrouw vandaag de dag, in boeken, films, en bij vrouwen om mij heen? Hoe kan ik me bij die gemeenschap aansluiten?

En plotseling lijkt het alsof de imponerende man met de hamer, als een dreigende duisternis in mijn psyche, ineenkrimpt en klein en bleek wordt. Ik hoef alleen maar mijn rode zonnebril op te zetten en met mijn staart te kwispelen.