De strijd van deze tijd

Lieve Etty,

Zojuist fietste ik door de regen om koffiemelk te halen. Hoe behaaglijk voelde ik mij in mijn winterjas, die ik vandaag voor het eerst aanhad. Bij de ingang van de supermarkt stond een verkleumde dame die de straatkrant aanbood, het papier druipend en wel. Ik kocht het krantje van haar. 

Ik heb me voorgenomen om elke dag iets vriendelijks voor een medemens te doen. De laatste weken ben ik nogal bezig geweest met mijn eigen wel en wee, na het bezoek van de man met de hamer. Ik ben nog lang niet hersteld. Maar een mens kan zich wat al te veel verliezen in de eigen beslommeringen. In deze dagen kan ik me soms hulpeloos en kwetsbaar voelen, en moet dan erkennen dat ik werkelijk de hulp van anderen nodig heb. Maar die anderen hebben mij net zo goed nodig. Ook die dame bij de supermarkt heeft haar verhaal. We zijn toch eigenlijk allemaal een grote familie.
Jij, lieve Etty, kende ook periodes van langdurige ziekte. Ik vraag me af wat dat jou gebracht heeft. Je schreef wel eens dat de strijd van jouw tijd - de tweede wereldoorlog - in jouw lichaam uitgevochten moest worden. Soms denk ik dat ik dat wel kan begrijpen. Elk nieuwsfeit, elk tussenmenselijk gebeuren sijpelt door mijn huid heen en nestelt zich in mijn cellen, wachtend om daar te worden omgezet: tot een emotie, tot acceptatie, tot een handeling, ja soms zelfs tot een gebed. De wereld is net zo in beroering als in jouw dagen, ook al speelt het grootste leed zich deze keer niet bij onze voordeur af. De kwestie is dezelfde als in jouw tijd: hoe mens te zijn met elkaar. 
Ach lieve Etty, jij weet als geen ander hoe moeilijk dit is. Om mens te zijn met elkaar, daarvoor zal men toch eerst de eigen angst onder ogen moeten komen. Jazeker, wat kan ik veel angst voelen voor mijn medemens, een angst die wordt versterkt door elk nieuw journaal. De berichtgeving is zo uit balans, met een overdaad aan rapportages over de zoveelste aanslag, moordpartij, burenruzie, internationaal conflict. Het lijkt wel alsof de journalistiek mensen alleen nog maar verder uit elkaar wil drijven; angst nog meer tot de grond wil maken van waaruit we leven en dus ook met elkaar leven. 
Misschien wordt het tijd om tot mijn eigen journaal te komen, mijn eigen weergave van de werkelijkheid. En dan vooral de werkelijkheid waarin ik wil geloven: een mens-zijn met elkaar dat niet gebaseerd is op angst, maar op iets anders - liefde, wellicht. De erkenning van het elkaar-nodig-hebben is een eerste stap. Het maken van zomaar een vriendelijk gebaar, elke dag, misschien een tweede. Daar waar het een mens lukt om zomaar vriendelijk te zijn, dwars door de eigen angsten heen, verschijnt de mogelijkheid dat elke mens dat zou kunnen doen. Daar verschijnt de mogelijkheid dat de mensheid over de eigen angsten heen kan stappen en een nieuw verhaal kan beginnen.